Onderzoek naar steunnormen bij Kempense OCMW's

“Elke persoon heeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de verantwoordelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid”. Op deze tekst van artikel 1 van de OCMW-wet is het bestaansrecht en de werking van het OCMW gebaseerd. Klassiek maakt men in de werking van OCMW’s een onderscheid tussen maatschappelijke dienstverlening (in toepassing van de Wet 8 juli 1976 op de OCMW’s) en het recht op maatschappelijke integratie (in toepassing van de Wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, beter bekend als de Leefloonwet). Inzake het toekennen van maatschappelijke hulp (Wet 8 juli 1976) hebben OCMW’s een erg ruime opdracht. Welke aanvullende steun verleend wordt, welke criteria en welke bedragen daarbij gehanteerd worden, beslist het lokale OCMW autonoom. Het zal dan ook niet verbazen dat er grote verschillen bestaan tussen de OCMW’s wat betreft het toekennen van aanvullende financiële steun. Maar het recht op een menswaardig leven zou niet mogen afhangen van de plaats waar men woont. Dit is onrechtvaardig en leidt tot rechtsonzekerheid.

 

Met het oog op het opzetten van een beleid dat streeft naar meer eenvormigheid, gaan we in opdracht van Welzijnszorg Kempen na hoe groot de verschillen zijn in het toekennen van aanvullende financiële steun tussen de Kempense OCMW’s en of er hierin een evolutie is sinds 2008. De onderzoekspopulatie bestaat uit de 27 Kempense OCMW’s. We willen alle OCMW’s betrekken bij de bevraging. We bevragen, afhankelijk van waar de dossiers aanvullende steun worden besproken, de leden van de bijzonder comités sociale dienst of de leden van de OCMW-raden van de Kempense OCMW’s met een schriftelijke vragenlijst.