Onderzoek naar de effectiviteit van het implementeren van REMI voor het berekenen van de aanvullende steun door Vlaamse OCMW's

Onderzoek

In dit onderzoek bestuderen we de effectiviteit van het hanteren van REMI voor de toekenning van aanvullende financiële steun. Omdat heel wat OCMW’s aan het verlenen van deze steun bepaalde voorwaarden koppelen, onderzoeken we tevens in welke mate het verhogen van het gezinsinkomen én het versterken van competenties voor OCMW-cliënten empowerend kan werken.

​Hierbij gaan we na wat de impact is van het toekennen van OCMW-steun tot op het niveau dat minimaal nodig is om volwaardig aan de maatschappij te kunnen deelnemen. Daarnaast onderzoeken we ook of interventies die de competenties van de OCMW-cliënten versterken, een impact hebben op het algemeen en financieel welzijn van cliënten.

 

Het kunnen leiden van een menswaardig leven met inkomens die voortvloeien uit de referentiebudgetten, vereist immers dat een aantal competenties is verworven. In de praktijk is dit, in het bijzonder voor kansarme gezinnen, echter niet altijd het geval. Het OCMW zou de deelname aan workshops zoals gezondheidsbevordering, effectief budgetmanagement, opvoedingsondersteuning positief kunnen stimuleren door gezinnen hiervoor te belonen met een verhoogde aanvullende steun. Dergelijke contextuele hulpverlening levert op lange termijn winst op voor zowel de OCMW-cliënten (omdat versterkte competenties personen zelfredzamer maken), als voor het OCMW zelf (omdat meer zelfredzame cliënten minder aanvullende steun nodig hebben). De bedoeling van deze studie is dan ook om na te gaan in hoeverre OCMW-steun op het niveau van menselijke waardigheid, eventueel gekoppeld aan specifieke interventies, ertoe leidt dat cliënten op een of meerdere terreinen vooruitgang boeken.

 

De onderzoeksmethodiek betreft een quasi-experimenteel onderzoek omdat de toewijzing van meewerkende OCMW’s (en dus indirect ook de participanten) niet ad random kon gebeuren. De keuze om al dan niet de OCMW-steun voor cliënten aan te passen tot het niveau van de referentiebudgetten lag immers bij de OCMW’s zelf. De deelnemende OCMW’s werden vervolgens toegewezen aan een conditie waar er ofwel geen interventie ofwel een budgetteringsinterventie zou plaatsvinden.

 

Resultaten

Globaal zien we dat de bij aanvang vastgestelde verschillen tussen de cliënten uit de twee condities in een aantal gevallen ook zichtbaar blijven na de interventie. Er blijkt wel een gunstige evolutie tussen de voormeting en de nameting voor self-efficacy (het vertrouwen in de eigen mogelijkheden om problemen aan te pakken), optimisme en het spaargedrag. De deelnemers zijn ook bijzonder positief over de effecten die het volgen van een budgetteringscursus volgens hen had en over de vooruitgang die zij dankzij deze interventie konden maken, een bevinding die gestaafd werd door de maatschappelijk werkers zelf. Deze laatsten rapporteerden meer vooruitgang bij deelnemers die vaker in de cursus aanwezig waren. Dit suggereert dat deze evoluties effectief toe te schrijven zijn aan deze interventie.

 

Specifiek voor het al of niet toekennen van aanvullende steun tot op het niveau van de referentiebudgetten zien we dat er in de experimentele conditie (waar er tijdens het experiment extra steun werd toegekend aan de deelnemers) een gunstigere schuldafbouw wordt gerapporteerd dan in de controleconditie, vermoedelijk omdat een deel van het extra geld werd gebruikt om schulden (versneld) af te betalen. Dat er voor de rest weinig effecten op te merken vallen van het toekennen van bijkomende aanvullende financiële steun in de experimentele condities, is mede te wijten aan het feit dat een aantal cliënten niet autonoom kon beslissen waarvoor deze bijkomende steun mocht worden gebruikt.